Zilvermeer | hoofdstuk 5.

by Tamara

Ik negeerde Jack zijn bezorgde vragen of het wel ging en begon tussen de rotsen door te klimmen naar de plek waar de schreeuw vandaan kwam. Haar schreeuw had behoorlijk bang geklonken en we moesten haar helpen.

‘Mia, doe rustig alsjeblieft. Laat me eerst even naar die wond kijken.’ Hoorde ik hem achter me zeggen.

‘Nee Jack, Margot heeft ons nodig. Je hoort haar toch?’

Hij zuchtte en klom achter me aan.

‘Waarom moet je nou altijd zo koppig zijn. Luister nou toch gewoon eens naar me.’

‘Zoals jij altijd zo goed naar mij luisterde bedoel je?’

Ik hoorde hem wat mompelen en terwijl ik de pijn probeerde te negeren, klom ik het laatste stukje, terwijl ik Margot haar naam een aantal keren riep, maar geen reactie kreeg.

Voor het laatste stukje moest ik over een stapel rotsen heen klimmen, maar net toen ik daaroverheen was, gleed ik uit en viel ik keihard op de grond.

‘Mia! Gaat het? Kom, ik help je.’ Jack pakte me vast en zette me weer op mijn benen neer, al was ik door de klap en het bloedverlies behoorlijk duizelig.

‘Waar zijn we?’ Vroeg hij ineens.

Ik keek om me heen en zag dat we ons in een open ruimte bevonden. Het was een soort grot, met aan de ene kant een opening naar het meer en aan de andere kant een soort grote stapel van takken, stukken stof en enorm grote veren.

‘Het lijkt wel een soort nest.’ Mompelde ik met een van pijn vertrokken gezicht.

Jack liep naar de stapel takken toe en knikte.

‘Volgens mij wil ik de vogel die hier woont niet ontmoeten. Weet je zeker dat je het geluid hier hoorde? Ik zie Margot nergens.’

Ik knikte en liep wat heen en weer, toen ik ineens mijn voet aan iets stootte en van schrik een grote sprong achteruit deed.

Daar op de grond, lag een menselijk skelet. De oogkassen waren groot en leeg en leken mijn kant op te kijken. Maar dat was niet hetgeen wat ik eng vond, wat ik wel heel erg eng vond, was de witte jurk die nog een beetje om de botten heen gedrapeerd lag.

‘Dat is haar..’ Mompelde ik zachtjes.

‘Wat? Waar heb je het over? Waar is Margot?’ Zei Jack.

Ik keek naar hem en ineens werd mijn aandacht getrokken door het gat in de muur, waar vanuit het meer te zien was. Hoewel het onmogelijk later dan tien uur in de ochtend kon zijn, was het pikkedonker buiten de grot. Vanaf de plek waar wij stonden kon je de sterrenloze hemel zien en de griezelige zilverachtige kleur van het meer. Ik pakte mijn zaklamp en klikte hem weer aan, zodat ik wat rond kon kijken in de ruimte. Het eerste wat me opviel was de enorme zilverader op de muur. Dit moest ooit het hart van de mijn zijn geweest, de plek waar het meeste zilver te vinden was. Het was een chaos in de grot, overal lagen veren, vissengraten, botten van mensen en dieren en menselijke spullen zoals jassen en schoenen. Maar waar ik ook keek, er was geen spoor van Margot.

Jack liep wat rond en pakte een jas van de grond. Hij voelde in de zakken en haalde het een portemonnee uit. Meteen liep ik naar hem toe om hem wat bij te schijnen met de zaklamp en al snel vond hij een rijbewijs, dat vijf jaar geleden verliep. Het stond op naam van Henry Phillips, de jongen die zeven jaar geleden hier met vrienden naartoe was gegaan om te filmen en de mythe over het meer te onderzoeken, maar spoorloos verdwenen was. Zijn vrienden hadden huilend verteld dat ze een kampvuur hadden gemaakt en steeds het idee hadden dat ze bekeken werden. Frank, die de beste vriend van Henry was, had verklaard dat ze iets uit het water hadden zien komen. Het hele meer was vlak en doodstil, maar op ongeveer twintig meter van de oever, stak iets boven het wateroppervlak uit. Het leek eerst een paaltje, maar toen ze met hun zaklamp hadden gekeken, weerkaatste het licht op de huid en de ogen van het wezen, dat kort naar ze glimlachte en onder het wateroppervlak verdween. Hoewel Henry en Frank weer naar huis wilden, zei hun vriend Marin dat ze juist moesten blijven om te filmen. Hoewel ze doodsbang waren waren Frank en Marin uiteindelijk in slaap gevallen en de volgende dag was Henry onvindbaar.

Ze werden overal voor gek verklaard, zelfs toen ze foto’s lieten zien van voetstappen die uit het water kwamen en zo klein waren dat ze nooit van hun afkomstig konden zijn. Maar niemand geloofde ze en beide verdwenen ze al vrij snel uit de publiciteit. Jaren later stond in de krant dat Marin een einde aan zijn leven had gemaakt uit schuldgevoel en Frank had een organisatie opgericht die geld inzamelde om onderzoek te doen naar het meer, maar niemand had interesse en al snel zocht hij zijn troost in heel veel drank, waarna hij een auto-ongeluk veroorzaakte en in de gevangenis belandde, waar hij nu nog steeds zat.

Ik was één van degenen die het verhaal niet had geloofd en had afgedaan als een verzonnen iets, maar nu ik het rijbewijs hier voor me zag, voelde ik me intens schuldig. Als er meer mensen waren geweest die ze hadden geloofd, was er misschien meer voorlichting over dit meer geweest en waren we hier niet naartoe gegaan. Dan waren we hier nu niet in deze vieze, enge grot, waarin het leek alsof de muren op me af kwamen.

‘Mimi?’ vroeg Jack zachtjes.

Ik pakte de portemonnee van hem aan en voelde dat er iets slijmerigs op zat. Ik keek naar mijn vingers en zag een soort zilverachtige, slijmerige drap op mijn vingers zitten, die ik snel aan mijn broek afveegde.

‘Mia?’ Zei Jack iets dwingender.

Ik keek hem aan en zag dat hij naar het meer keek, dat door het gat in de muur goed zichtbaar was. Daar op het meer, zag ik iets dat hier niet thuis leek te horen. Het was op zich geen raar wezen, maar op deze plaats leek het totaal niet op zijn plek.

Daar, voor de opening van de grot, zwom een zwaan. Of tenminste, het leek heel erg op een zwaan. De gebogen nek, de oranje met zwarte snavel en de manier waarop het dier over het water bewoog. Maar tegelijkertijd had het dier, net als aller hier in en rond het meer, een zilverachtige glans. Maar dat was niet het enige vreemde, het dier was abnormaal groot, misschien wel drie keer zo groot als een gewone zwaan. Als het daarbij was gebleven, dan had ik het nog kunnen handelen, dan had ik gedacht dat het dier misschien verdwaald was en door zijn eenzaamheid, hier genoeg te eten kreeg. De zilverachtige gloed kwam vast door de zilverdeeltjes in het water en dit hier was gewoon zijn nest. Maar dat was niet het enige, het dier maakte me doodsbang, want de lichtblauwe, bijna lichtgevende ogen, keken me recht aan en op de één of andere manier leek het net alsof het dier naar me glimlachte.

Ik wilde Jack zijn hand vastpakken, maar ik merkte dat hij niet meer naast me stond. En toen hoorde ik het. Het klonk als een zacht gejammer, maar ging over in een soort angstaanjagende melodie. Ik keek om me heen waar het geluid vandaan zou kunnen komen en sloeg een hand voor mijn mond. De zwaan, die ogenblikken geleden nog naar me glimlachte, bewoog zijn snavel op een voor vogels onnatuurlijke manier. Het was alsof hij aan het zingen was, alsof de zachte melodie, die bijna hypnotiserend werkte, uit die snavel kwam.

Ik keek om me heen waar Jack was en zag hem langzaam naar het meer toe lopen. Hoe dichterbij hij kwam, hoe harder de zwaan begon te zingen en hoe groter de glimlach van het dier werd. Ondertussen trok er een dichte mist op op het meer. Een mist die zo sterk was, dat ik binnen een mum van tijd alleen de lichtgevende ogen van het dier nog zag.

‘Jack! Nee!’ Schreeuwde ik en ik rukte me los uit mijn eigen angst, om hem te helpen. Snel rende ik naar hem toe, maar voordat ik bij hem was, voelde ik iets me van achteren beetpakken.. En moest ik reddeloos toekijken hoe Jack het water inliep.

Meteen verder lezen? Je koopt het boek hier voor 4 euro!

Misschien vind je dit ook leuk

Ik zou het leuk vinden als je een reactie achterlaat!

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.